DE (HER)SCHEPPING VAN DE NATUUR
Natuur als model der kunsten

William Blake, Newton, 1795-1805, olieverf op doek, 46×60 cm, Tate Britain, Londen (foto Tate Britain).

In de inleiding van zijn meesterwerk Le Vite (1550) probeert Giorgio Vasari een antwoord te formuleren op de grote vraag: waar ligt de oorsprong van kunst? Door wie en op welk moment in de geschiedenis kunst is uitgevonden, is echter zowel vanuit geografisch als historisch perspectief niet te achterhalen. Derhalve gooit Vasari het over een andere boeg, en concludeert hij:

  […] dat het begin van deze kunsten in de natuur zelf gelegen was, en dat het prachtige bouwwerk van de wereld als voorbeeld of model heeft gediend, en dat onze leermeester het goddelijk licht was dat als een bijzondere genade in ons is gestroomd en ons niet alleen boven andere levende wezens heeft gesteld, maar ons, als het geoorloofd is dit te zeggen, tot gelijken van God heeft gemaakt. 1

Oftewel, de natuur als vroegste en grootste inspiratiebron voor de kunstenaar. Een interessante toevoeging die Vasari deed, is de keuze voor het woord ‘model’; een woord dat ruimte biedt voor interpretatie. Waar het woord enerzijds staat voor ‘nabootsing’ en ‘voorbeeld(ig)’, kent het anderzijds ook een werkwoordsvorm. ‘Modelleren’, ofwel vormen naar overeenkomstige vormen, biedt een rekbare visie op de natuur als bakermat van de kunst. Dit leidt tot de vraag of de kunstenaar niet alleen de waargenomen natuur reproduceert, maar daarmee ook eigenhandig vormgeeft. In zijn verbeeldingen van de natuur dringt immers onvermijdelijk de visie van de kunstenaar op de (natuurlijke) wereld door. 

 In de kunstgeschiedenis zijn hiervan talloze voorbeelden aan te wijzen. Zo schuilt er achter vele idealiseringen van de natuur een verlangen naar weleer: denk aan verbeeldingen van Arcadië, het utopische landschap uit het begin van de geschiedenis, of verbeeldingen van het christelijke paradijs. In de romantische landschapsschilderkunst van de late achttiende en negentiende eeuw wordt vaak aan die voorbeelden van ideale natuur gerefereerd. In de romantiek wordt echter het gevoel centraal gesteld in de verbeeldingen van een overweldigende, sublieme natuur – een natuur die ontembaar lijkt, maar die de mens vanaf de achttiende eeuw in toenemende mate poogde te bedwingen. Het juist zo feitelijk mogelijk optekenen van de natuur, met de waarneembare werkelijkheid als uitgangspunt – denk aan Dürer die voor het eerst natuurafbeeldingen als zelfstandige kunstwerken maakte – heeft de schijn van wetenschappelijke objectiviteit. Ook hieronder liggen echter overtuigingen over hoe de wereld eruit behoort te zien: ordelijk, gecategoriseerd en gedefinieerd. Hieraan gerelateerd is het idee van de maakbaarheid van de natuur, wat onder meer is terug te vinden in de traditie van landschaps- en tuinarchitectuur.  

Interessant is dat achter al deze voorbeelden de reeds door Vasari geformuleerde opvatting schuilt dat de mens, en in het bijzonder de mannelijke kunstenaar, met zijn scheppende kracht boven het natuurlijke is gepositioneerd. Daarbij werd overigens van oudsher onder de classificatie ‘natuurlijk’ ook ‘vrouwelijk’ en ‘primitief’ geschaard, waarmee ook die categorieën hun plek in de hiërarchische ‘natuurlijke’ orde der dingen kregen.

De verbeeldingen van natuur in verleden en heden, en de ideeën die hieraan ten grondslag liggen, hebben vanzelfsprekend een belangrijke invloed uitgeoefend op hoe we tegenwoordig de natuur aanschouwen en tegemoet treden. Huidige ontwikkelingen hebben echter de urgentie tot herziening van bestaande perspectieven op de natuur in een stroomversnelling gebracht. Klimaatverandering en afname van de biodiversiteit zijn inmiddels een feit, en we bevinden ons in het Antropoceen: het tijdperk waarin de invloed van de mens op aarde is doorgedrongen tot in de aardlagen. Ontwikkelingen in (gen)technologie hebben de omgang met de natuur bovendien fundamenteel veranderd: we scheppen de natuur nu letterlijk, maar lijken desondanks niet in staat bovengenoemde dramatische ontwikkelingen te stuiten. In de kunstwereld zijn deze kwesties niet langer weg te denken en kunstenaars buigen zich over vraagstukken ten aanzien van de aard en de gevolgen van de relatie tussen mens en natuur. Waar sommige kunstenaars activistische posities innemen, nemen andere een wetenschappelijke houding aan. Hoewel de benaderingen verschillen, lijkt er consensus in de hedendaagse kunstwereld over het belang zich te verdiepen en uit te spreken. Een nobele(r) houding ten opzichte van de natuur, waaraan desalniettemin bepaalde ideeën ten grondslag liggen over wat de natuur behelst, hoe die zich gedraagt en wat onze rol daarin is. 

In Article 24 verwelkomen we graag kunsthistorisch onderzoek naar de verschillende wijzen waarop kunstenaars de natuur en onderliggende ideeën hebben verbeeld en geschapen, zoals onderzoek naar: 

  • De menselijke invloed op de natuurlijke omgeving
  • Imitatie van de natuur
  • Studiolo, wonderkamers
  • Romantiek en landschapsschilderkunst
  • Het sublieme
  • Grensvervagingen tussen natuur en kunst
  • Land Art
  • De tuin 
  • Natuur als leidraad in architectuur
  • Klimaatactivisme in de kunst
  • Het Antropoceen
  • Natuur en gender
  • Natuur en het ‘primitieve’ / ‘exotische

Voorstellen voor artikelen kunnen tot 15 november worden ingediend. De deadline voor het volledige artikel is 15 december. Artikelen zijn tussen de 1500 en 3000 woorden. We zijn tevens op zoek naar een kunstenaarsbijdrage in tekst en/of beeld. Heb je een suggestie? Mail naar article@stichting-art.nl.

Article is een wetenschappelijk tijdschrift over actuele thema’s binnen de beeldende kunst, architectuur en vormgeving. Article wordt uitgegeven door studenten en alumni Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht voor een breed publiek van kunstliefhebbers. Het tijdschrift is gelieerd aan studievereniging Stichting Art en biedt studenten en jonge alumni een podium voor hun onderzoeksresultaten naast artikelen van gerenommeerde vakgenoten. Article verschijnt tweemaal per collegejaar.


  1. Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, 1568, red. Henk van Veen, vert. Anthonie Kee. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2017, 33-34.